Zoek binnen de website
Harderwijk merkte de eerste tijd niet veel van de oorlog die in 1940 uitbrak. Het opvallendste was de evacuatie van Nijkerk op 11 en 12 mei. Ongeveer achtduizend Nijkerkers kwamen voor een dag of vier naar Harderwijk, zodat de bevolking toen verdubbelde. Op 14 mei arriveerde een Duitse auto met vier inzittenden bij het stadhuis. De burgemeester kreeg te horen dat Harderwijk bezet was. Aanvankelijk veranderde er weinig. De scholen begonnen weer en mensen gingen naar het werk. Maar later veranderde de sfeer in Nederland. In augustus 1941 vergaderde de gemeenteraad voor het laatst. Al snel moest iedereen een persoonsbewijs bij zich dragen, en goederen gingen op de bon. Later werden auto’s, vrachtwagens, fietsen en radio’s gevorderd. De klokken uit de stadhuistoren en van de Sint Catharinakerk werden meegenomen en omgesmolten tot wapentuig.
Stellung Hase
In de stadsweiden bouwde de Duitse bezetter een tweetal radiotorens, onderdeel van Stellung Hase, het luchtverdedigingssysteem dat bestond uit bunkers, afweergeschut en munitieopslag. Vijandige vliegtuigen konden met dit systeem opgespoord worden. Restanten van dit radarstation zijn gevonden in het natuurpark en het Crescent Park. 117 vliegeniers zijn in en rondom Harderwijk om het leven gekomen. Ze worden in ere gehouden door een monument in het Wolderwijd.
Verzet
Ook in Harderwijk waren er mensen die zich verzetten tegen de Duitse overheersing. Ze pleegden een aanslag op de spoorlijn Amersfoort-Zwolle of saboteerde Duitse activiteiten. Een bekende verzetsstrijder is Wouter van Dam. Hij werkte op het stadhuis en zorgde ervoor dat talloze mensen een vals persoonsbewijs kregen. Op 2 maart 1945 werd hij gefusilleerd.
Joodse inwoners
De meeste van de negenendertig Joodse Harderwijkers werden tijdens de oorlog opgepakt en naar concentratiekampen gebracht. Eenentwintig van hen werden omgebracht, onder hen Jetje Härtz, een meisje van drie jaar. Zij worden herdacht middels een plaquette bevestigd aan de voormalige Joodse synagoge, en een gedenksteen op de begraafplaats Oostergaarde.
Bevrijding
Harderwijk werd op 18 april 1945 bevrijd door de Canadezen. Zij reden met tanks via Ermelo de stad binnen Door het optreden van Marinus Baars, districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, werd Harderwijk zonder veel bloedvergieten bevrijd.
Meer informatie is te vinden in de speciale uitgaven die Herderwich heeft uitgebracht.
Het vertrek van de koloniale militairen in het voorjaar van 1909 was een zware klap voor de Harderwijker economie. Onder leiding van burgemeester Kempers heeft het gemeentebestuur zich ingespannen om toch weer militairen naar de stad te krijgen. Eerst werd het Werfdepot ingezet als huisvesting voor het derde bataljon van het 9e Regiment Infanterie. In 1922 kwam de staf van het 7e Regiment uit Amsterdam over.
Jan van Nassaukazerne
De Oranje -Nassau kazerne was al gauw te klein en in 1916 verhuisden de militairen naar de Oranjelaan. In het begin werd deze kazerne de ‘Nieuwe Kazerne’ genoemd. In 1934 werd de naam ‘Jan van Nassaukazerne’; na de Tweede Wereldoorlog werd het een opleidingscentrum voor alle infanterie-eenheden.
Willem George Frederik kazerne (WGF – kazerne)
Kort vóór de Tweede Wereldoorlog, in 1938, besloot de gemeenteraad in Harderwijk om grond aan de Leuvenumse weg te kopen om daar een artilleriekazerne te laten bouwen. Deze kazerne werd door de Duitsers afgebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog werd er de Kaderschool voor de infanterie gevestigd en kregen dienstplichtige onderofficieren, die uitgezonden zouden worden naar Nederlands-Indië, hier of in Weert hun opleiding. Na de beëindiging van de oorlog in Indonesië, werd de ‘WGF’-kazerne de thuisbasis voor de 4e Divisiestaf van het Eerste Legerkorps. Met het vallen van de Berlijnse muur in 1988 kwam er een einde aan de Koude Oorlog. Een direct gevolg was dat er in de volgende jaren sterk bezuinigd werd op defensie. In 1994 werd de WGF kazerne gesloten.
Kranenburg
Vanaf 1915 kwam er nog een militair complex in Harderwijk bij, namelijk Kamp Kranenburg, bedoeld voor de veldartillerie. Later werd ze omgevormd tot Kranenburg Noord en Kranenburg Zuid. Noord bleef tot in 2006 in gebruik voor militaire activiteiten, Zuid werd afgebroken. De officiersmess is in 2020 eigendom geworden van de gemeente en wordt gebruikt voor culturele activiteiten.
Einde als garnizoensstad
Het einde van de Koude Oorlog betekende een forse inkrimping van de Nederlandse krijgsmacht. In enkele jaren verloor Harderwijk het militair uiterlijk. Op 2 november 1994 werd de 4e Divisie opgeheven. Met het planten van een lindeboom, het plaatsen van een gedenksteen en het opstellen van een oud scheepskanon aan de Vitringasingel kwam definitief een einde aan Harderwijk als garnizoensstad.
Tot de bouw van de Afsluitdijk in 1932 leefde een flink aantal gezinnen van wat de Zuiderzee te bieden had. Al in 1443 kreeg Harderwijk het stapelrecht op alle gevangen vis tussen Muiden en Kampen. Dat betekende dat al die vis hier moest worden verkocht. Dat gebeurde niet bij de Vischpoort maar bij de Hoge Bruggepoort, aan het begin van de Vijhestraat. Naar schatting zorgde de visserij in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voor zo’n tien tot twintig procent van de werkgelegenheid in Harderwijk.
Haven
Het grote probleem voor Harderwijk was dat de stad geen haven had. De schepen meerden nog steeds af aan de steigers bij de twee zeepoorten. Al in 1549 werd een plan ingediend voor het aanleggen van een haven. Er volgden daarna nog diverse andere plannen. Maar ook deze plannen werden niet doorgezet. Pas in 1650 werd het werk voor de aanleg van een haven aanbesteed. Het ontwerp was van Leeghwater. In 1655 was de haven gereed en functioneel. Deze
kleine haven lag aan twee pieren tussen beide zeepoorten. Na een hevige noordwesterstorm werd 50 de haven in 1669 alweer vernield, maar al snel kon de haven worden hersteld. In 1715 werd aan de oostzijde van de stad in de bocht van de zeebeer een opening van 24 voet gemaakt, waardoor tussen de zeebeer en de wal een kleine schuilhaven ontstond, de Nieuwe Haven. In 1739 volgde een uitbreiding. Tot een volwassen haven is het in deze tijd echter nooit gekomen.
Garnalenpellerij
In Harderwijk waren rond 1900 zeker vier garnalenpellerijen die soms wel 300 vrouwen aan het werk hadden. Voor hen was dat een mooie bijverdienste. De manden met ongepelde garnalen werden aan huis gebracht waar het pellen kon plaatsvinden. De gepelde garnalen werden weer opgehaald en de schillen gingen bij het afval. Garnalenpellen gebeurde thuis en naast de vrouwen konden ook kinderen goed meedoen. Het was een mooie bijverdienste voor het hele gezin. De garnalen werden naar Amsterdam vervoerd en daar als lekkernij verkocht. Ook werden ze naar Engeland geëxporteerd. De vishandel van de gebroeders Eibert en Beert den Herder verdiende er goed aan. Tot aan 1914, toen kwam door de 1ste Wereldoorlog de klad in de handel met Engeland. Nederland was neutraal maar het bevaren van de Noordzee werd een gevaarlijke aangelegenheid.
Nevenactiviteiten
De visserij gaf ook werkgelegenheid aan wal: er waren scheepstimmerlieden nodig, zeilmakers, nettenbreiers en nettenboeters, taanders. Een keer per jaar moest het schip naar de werf om goed nagekeken te worden. Vlak bij molen De Hoop is nog steeds een scheepshelling te zien waar schepen op het droge werden getrokken. Soms werd de smid erbij geroepen om het ijzerwerk aan boord te repareren.
Aan het eind van de zestiende eeuw woonde er in Harderwijk een klein groepje joden. Nog in 1657 werd echter een jood de stad Harderwijk uitgezet met als argument ‘joden mogen alhier niet wonen’, dat stond kennelijk in een voorschrift van de stad. Tien jaar later was het klimaat verbeterd en kreeg een joodse slager een woonvergunning van het stadsbestuur. Vanaf 1690 mochten joden zich voortaan officieel in Harderwijk vestigen. Vermoedelijk heeft de aanwezigheid van de Gelderse Academie (de universiteit, 1648-1812) hierin een rol gespeeld. Die kon geen joodse studenten afwijzen.
In 1762 vaardigde het Harderwijker stadsbestuur een reglement uit waarin stond dat joden burgerrechten konden krijgen. Abraham Gabriëls, een geldhandelaar uit Amsterdam, was een van de eerste Harderwijker joden die van deze mogelijkheid gebruikmaakte. Hij speelde in die tijd een hoofdrol in een groots opgezette loterij om geld bij elkaar te krijgen voor de bouw van een nieuwe haven. Pas in 1796, in de Bataafs-Franse tijd, werden alle beperkingen tegen joden opgeheven. Niet alleen in Harderwijk, maar in het hele land.
In 1759 huurden ze een speciaal daartoe ingerichte kamer om godsdienstoefeningen te houden. Een eerste synagoge werd in 1773 in gebruik genomen. Een
echte synagoge werd in 1817 in een pand aan de Jodenkerksteeg ingericht, op de hoek van de Kleine Marktstraat. Maar dit gebouw stond al snel op instorten. In 1840 werd het herbouwd en het gebouw heeft tot aan de Tweede Wereldoorlog als synagoge dienst gedaan. Tijdens de oorlog werd het interieur gesloopt. Momenteel is op de eerste verdieping een expositie ingericht met diverse objecten uit de Joodse traditie. Omstreeks 1852 werd de joodse begraafplaats aan de Veldkamp in gebruik genomen. In 1855 stichtte de joodse gemeenschap ook een eigen school.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn heel veel joden omgekomen. Eenentwintig van de negenendertig Harderwijker joden overleefden de oorlog niet. Hun namen staan op een plaquette aan de synagoge. Het lijkt wel of de plaquette beschadigd is, of er een stuk van de steen is verdwenen. Het ontbrekende stuk herinnert echter aan dát deel van de joodse bevolking van Harderwijk dat uit ‘ons midden is weggerukt’, zoals er vermeld staat.
Na de Bataafs-Franse tijd kwamen de gebouwen in de Smeepoortstraat in 1815 in gebruik bij het Depot-Bataillon van de Troupes in de Koloniën no. 33, ofwel een koloniaal depot. Een militair depot is een plek waar troepen worden verzameld, gekleed en geoefend. In 1844 veranderde de naam in Koloniaal Werfdepot.
Opleiding
In het depot in Harderwijk werden de soldaten in een week of zes voorbereid op hun dienst in toenmalige Nederlands-Indië, nu Indonesië. In de 94 jaar dat het depot bestond, zijn vele tienduizenden militairen in Harderwijk hun dienst in de koloniën begonnen. De ‘kolonialen’ kwamen niet alleen uit Nederland, maar ook uit andere Europese landen, vooral uit Duitsland. Er zijn hier zelfs Ghanese troepen geweest. Ook militairen uit Amerika. Zij werden geronseld en kregen een handgeld (een soort premie) als ze een contract ondertekenden.
Gootgat van Europa
Dat handgeld, soms oplopend tot 250 à 300 gulden, werd meestal tijdens de opleiding in Harderwijk opgemaakt. Harderwijk genoot in die tijd de twijfelachtige eer ‘het gootgat van Europa’ te worden genoemd, vanwege de vele kroegen en bordelen in de stad. Aan de ene kant waren de Harderwijkers blij met deze forse bron van inkomen. Aan de andere kant was er veel kritiek op het uitbundige uitgaansleven in de stad, inclusief talrijke vechtpartijen.
Onder de kolonialen waren mensen die nog steeds beroemd zijn zoals Hendrik Colijn (1869-1944), diverse keren minister-president, die ook zijn koloniale opleiding in Harderwijk kreeg.
Na elke opleidingsperiode vertrokken op zaterdagmorgen onder begeleiding van militaire muziek en gejoel van de Harderwijker jeugd de militairen naar het station (vanaf 1863) om met de trein naar Rotterdam te gaan en vandaar met de boot naar onze koloniën.
Depot verplaatst naar Nijmegen
In 1907 besloot de regering het Harderwijker Werfdepot naar Nijmegen over te plaatsen. Het laatste detachement koloniale militairen verliet op 1 mei 1909 de stad. Op 2 november van hetzelfde jaar trokken infanteristen in dezelfde kazerne. Daarmee werd Harderwijk een garnizoensstad.
In 1922 veranderde de naam in Oranje-Nassaukazerne. Na de Tweede Wereldoorlog werd de kazerne bekend als spionnenschool, de populaire naam voor de School Militaire Inlichtingendienst (SMID). Talrijke dienstplichtigen leerden hier Russisch. In 1988 verlieten de laatste militairen de kazerne.
Nu is het gebouw een appartementencomplex waarbij het smeedijzeren hek nog aan de koloniale tijd herinnert.
In 1795 ging de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden ten onder. Die republiek bezweek onder het geweld van Franse troepen. Op 27 januari 1795 arriveerde de Franse generaal Jardon in Harderwijk, gevolgd door een complete divisie. Dit kostte de burgers veel geld: ze moesten de soldaten onderdak geven en eten en drinken. Het stadsbestuur verloor in deze tijd veel macht. De rechtspraak werd losgemaakt van het stadsbestuur en de burgemeester benoemd door de landelijke regering werden en niet meer door Harderwijker families. Er kwam een commissaris van politie, een notaris en een vredesrechter, een soort moderne buurtrechter. De achterstelling van rooms-katholieken en joden was eindelijk voorbij. De magistraat, het stadsbestuur, werd vervangen door een municipale raad. In 1798 kreeg ons land voor het eerst een grondwet. Er kwam een eind aan de grote zelfstandigheid van de zeven gewesten. Nederland werd veel meer een eenheid dan in de tijd van de Republiek.
De Bataafs-Franse tijd van 1795-1813 was een heel andere periode dan de Franse bezetting van 1672-1673. De oude Republiek veranderde in de Bataafse Republiek, maar bleef behoorlijk zelfstandig. Toen Napoleon in 1804 keizer geworden was, begon hij echter de Franse touwtjes strakker aan te halen. Zijn broer Lodewijk Napoleon werd in 1806 koning van Nederland, dat toen Koninkrijk Holland ging heten. Harderwijk kreeg deze koning op 28 juni 1808 op bezoek. Hij logeerde op de Vischmarkt in een pand. Lodewijk Napoleon kwam niet met lege handen. Hij schonk driehonderd dukaten aan de armen en duizend gulden aan de spinschool, die met name bedoeld was om arme meisjes een vak te leren. Verder drong hij erop aan om het plan de haven te herstellen en te verbeteren, met spoed uit te voeren. Op 8 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk ingelijfd.
Het einde van de Franse bezetting verliep in Harderwijk betrekkelijk rustig. De Franse troepen trokken zich terug zonder veel problemen te maken. Op 22 november 1813 verschenen zeventien (Russische) Kozakken in Harderwijk. De burgemeester werd gedwongen oranje te dragen. Nieuwe eenheden Kozakken eisten levensmiddelen, paarden en wollen stoffen. Bevrijd worden bleek uiteindelijk toch nog een kostbare zaak te worden.
Op 5 december 1813 kwam officieel een eind aan de Bataafs-Franse tijd. Prins Willem werd de nieuwe soeverein (koning) van het Koninkrijk der Nederlanden. Hij was een zoon van de vroegere stadhouder Willem V.
De Hanze werd in de loop van de 16e eeuw minder belangrijk; ze werkten niet meer goed samen en bovendien groeide de concurrentie van de Hollandse steden. Harderwijk raakte van een redelijke welvarend stad steeds meer op de achtergrond. De stad had te maken met brand, oorlogen en stormen. Bij de brand van 1503 brandde driekwart van de gebouwen in de stad af of leden schade en vele mensen kwamen om in de vlammenzee. In dezelfde eeuw werd in en rondom Harderwijk een aantal keren gevochten, waarbij de stad geplunderd werd. Ook woedden er in de jaren 1570 en 1580 diverse stormen op de Zuiderzee, die de muren aan de zeezijde flink beschadigden. He stadsbestuur probeerde de stad te herstellen door verhoging van belasting en hulp van buiten. Het herstel kwam met de komst van De Munt en een eeuw later met de vestiging van een eigen universiteit.
In deze periode wordt het hertogdom Gelre onderdeel van het Habsburgse Rijk, waar tegen zij in opstand komt in de 80-jarige oorlog. Hierna is Gelre en dus ook Harderwijk onderdeel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
In de late middeleeuwen waren er meerdere kloosters in Harderwijk.
- Aan de rand van de Vischmarkt stond het Agnietenklooster. De eerste vermelding van dit klooster dateert uit 1429. Het lag eerst buiten de stadsmuren maar kwam vanaf 1425 binnen de muren te liggen. Bij de Beeldenstorm werd het flink beschadigd en kwam het onder beheer van het stadsbestuur. Later werd het terrein een kaatsbaan en weer veel later het Militair Hospitaal. In 1982 werd het gebouw gesloopt.
- Het Minderbroederklooster, ook wel Franciscanen genoemd, stond midden in de stad aan de huidige Markt. Het klooster werd omsloten door de Luttekepoortstraat, de Wolleweverstraat en de Donkerstraat tot aan de Smeepoortenbrink. Het werd vóór 1291 gesticht, in 1580 gesloten en later door brand verwoest. Een stuk muur is nog te zien achter café De Boterlap.
- De Catharinakapel (1502) is een overgebleven kapel van het Catharinaklooster, een nonnenklooster dat rond 1450 gesticht is.
- Het klooster van de Graue Susteren, bekend als Claerendal, stond aan de Smeepoortstraat. De nonnen droegen grijze – grauwe – kleding, vandaar hun naam.
- In de Straat van Sevenhuysen stond er vanaf 1441 een huis en een kapel voor fraters. Zij begeleidden leerlingen van de Latijnse school.
Rond 1350 werd er een kapel gebouwd voor de inwoners van de stad: de Mariakapel. Deze kapel is in fasen uitgebouwd tot Onze Lieve Vrouwekerk, later de Grote Kerk genoemd.
In de periode 1578-1580 moesten alle kloosters hun bezittingen aan de stad overdragen, als gevolg van de Reformatie. Harderwijk koos voor het protestantse geloof waardoor de Rooms-Katholieke Kerk veel invloed verloor.
Bij ‘bezetting’ denken we vaak aan 1940–1945, maar ook in 1672 kreeg Harderwijk ermee te maken. De Nederlanden verkeerden in dat jaar in oorlog met Engeland en Frankrijk en met de Bisdommen van Keulen en Munster. De Franse koning Lodewijk XIV (14) trok met een leger bij Lobith het land binnen en splitste zijn leger om een zo groot mogelijk gebied te bezetten.. Terwijl de verdediging zich richtte op Holland en Amsterdam, bleven steden als Harderwijk vrijwel onbeschermd achter.
Onderhandelingen
Om een langdurige strijd te voorkomen, probeerde het stadsbestuur te onderhandelen. Dat liep anders dan gehoopt. De Fransen namen de stad in en gedroegen zich als overwinnaars. Zo’n 1.500 soldaten werden bij burgers ingekwartierd, op kosten van de inwoners. Huizen raakten beschadigd en burgers kregen zware belastingen opgelegd. Boeren en burgers moesten helpen bij het versterken van de vestingwerken en het kaal maken van het gebied rond de stad. In 1673 nam de druk verder toe: poorten en muren werden gesloopt: de Luttekepoort, de Smeepoort en het oude Blokhuis werden opgeblazen.
Brand en vertrek
Toen de Fransen besloten zich terug te trekken, staken ze op 16 september 1673 de stad op tientallen plekken in brand. Door weinig wind bleef de schade beperkt tot ongeveer vijftig huizen. Toch had de bevolking nog maandenlang te lijden onder Franse en Munsterse troepen. De oorlog eindigde pas in 1678. Harderwijk was zwaar getroffen: huizen en vestingwerken lagen in puin en het herstel duurde jaren. Stap voor stap werd de stad herbouwd en versterkt. Zo wist Harderwijk zich uiteindelijk te herstellen van een van de donkerste perioden uit haar geschiedenis.
Ongeveer vijftig jaar vóór het begin van onze jaartelling drongen de Romeinen het zuiden van België binnen. In de jaren daarna trokken ze verder naar het noorden. De rivier de Rijn werd de noordgrens van het Romeinse Rijk. Deze grens (Limes genoemd) bleef bijna vier eeuwen bestaan. De Romeinen bezetten het gebied ten noorden van de Rijn niet maar stuurden er wel van tijd tot tijd expedities naartoe. Ook werd er handel gedreven. De Romeinen richtten onderweg zogenaamde marskampen in. Op de Ermelose heide verrees ergens in de tweede helft van de tweede eeuw zo’n marskamp. Het kamp is nu een beschermd monument. Dwars door het kamp loopt de weg van Harderwijk naar Nieuw Milligen.