De koloniale soldaat in Harderwijk

Met de komst van het Koloniaal Werfdepot in 1815 kreeg Harderwijk te maken met de zgn. kolonialen. Jongens en mannen, ver van huis en onderweg naar de koloniën om daar orde op zaken te houden. Voor Harderwijk had dit het voordeel dat zij vaak aardig wat te besteden hadden en ze bleven maar enkele weken tot een paar maanden. De koloniaal liep feitelijk ver voor op de huidige ontwikkeling, want hij was geen Nederlander maar een Europeaan. Veel Fransen, Zwitsers, Duitsers en Belgen lieten zich overhalen en ronselen om dienst te nemen in het koloniale leger van Nederland, om voor een periode van zes jaar dienst te doen in Nederlands-Indië. Vanuit geheel Europa liepen lijnen naar Harderwijk en wie Europa wilde ontvluchten, om een ongelukkige liefde bijvoorbeeld of om een juridische misstap, toog naar Harderwijk, het stadje aan de Zuiderzee. Nadat hij voor een aantal jaren tekende, kreeg hij een handgeld dat varieerde van 120 tot 300 gulden, een bedrag dat men contant in handen kreeg. Vaak werd dit dan besteed aan genoegens zoals drank en vrouwen. Op dat gebied had Harderwijk veel te bieden.

De kazerne aan de Smeepoortstraat vormde de thuisbasis voor de koloniale soldaten. Hier ontving men enig onderricht en onderging men zijn basistraining tot koloniaal soldaat. Het waren vooral de manschappen die in Harderwijk hun training ontvingen, de officieren waren in Kampen en KMA te Breda gehuisvest. Nadat men de training had ontvangen werd er ingescheept voor een reis over de Zuiderzee en vanaf 1863 per spoor naar de uitvaarthaven. Vervolgens werd er aanvankelijk per zeilschip en later per het stoomschip naar de Oost of de West gevaren. Na een reis die maanden kon duren en die onderweg vaak de nodige slachtoffers vroeg, bereikte men zijn bestemming. Hier werd de koloniaal verder geschoold en vervolgens bij zijn regiment ingedeeld en ging de tocht het tropische Indië in. Er waren voortdurend brandhaarden, opstanden of oorlogen tegen de Nederlandse overheersers. Ook had men te lijden aan tropische ziekten zoals malaria of gele koorts die tientallen slachtoffers vroegen. Veel militairen probeerden dan ook te deserteren, iets waar strenge straffen op stonden. De periode in Nederlands-Indië liet een diepe indruk na. De vreemde cultuur, de temperatuur, de kruiden het voedsel maar ook de manier waarop de Nederlandse overheid haar gezag afdwong. Er vielen duizenden slachtoffers en met harde hand werd de orde hersteld en het gezag gehandhaafd. Nadat de periode was uitgediend, konden de militairen bijtekenen of terug naar Europa, maar dat laatste was ook een flinke onderneming. Wanneer hij uiteindelijk weer in Harderwijk aankwam, kreeg hij het burgerpaspoort en kon het gewone leven beginnen. In het Europa van de 19de eeuw was dat vaak een leven van armoede, een leven aan de zelfkant van de samenleving, daar de ex-koloniaal laag in aanzien stond.

Willem George Frederik kazerne

Een oud kazernecomplex is in de tweede helft van de jaren 30 aangelegd door de Nederlanders en tijdens de Tweede Wereldoorlog afgebouwd door de Duitsers. De toenemende spanning in Europa als gevolg van een steeds agressievere politiek van Hitler-Duitsland was de oorzaak dat de Nederlandse defensie begroting in 1938 plotsklaps werd verdrievoudigd. Het sterk uitdijende veldleger had dringend nieuwe kazernes nodig. Eén daarvan werd in Harderwijk gebouwd. Ook een beetje als genoegdoening voor het feit dat begin 1900 het koloniaal werfdepot naar Nijmegen was verhuisd.

De bestaande kazernes voldeden niet meer, daarom besloot de Harderwijkse gemeenteraad op 26 februari 1938 om 25 hectare grond aan de Leuvenumseweg voor het symbolische bedrag van één gulden af te staan aan de Nederlandse staat voor de bouw van een artilleriekazerne. Begin november 1938 betrokken de veldartilleristen de in aanbouw zijnde kazerne. Hiervan waren reeds enkele legeringgebouwen en paardenstallen gereed. Op 21 december 1938 werd de kazerne vernoemd naar een telg uit het huis van Oranje, namelijk prins Willem George Frederik (1774-1799) die in 1792 tot grootmeester der Artillerie werd aangesteld.

In de oorlogsjaren voltooide de Duitsers de WGF-kazerne, die bij de bezetters bekend stond als Feldkaserne of Waldkazerne. Op het kazerneterrein verschenen ondermeer een kantine, een stafgebouw en een logiesgebouw voor officieren. De reeds bestaande maneges en stallen werden omgebouwd tot garages. In de jaren ‘50 ontstond de Koude Oorlog, vanwege de vermeende communistische dreiging. Deze oorlog zorgde voor een patstelling tussen het communistische oostblok (Warschaupact landen) en het westen onder de NATO. Nederland verhoogde het defensiebudget aanzienlijk. In 1953 werd de 4 divisie opgericht die zich in de WGF-kazerne vestigde. Zij troffen een mooie, maar te kleine kazerne aan. Voor de ruim 1450 militairen werd de kazerne uitgebreid met een officiermess en een kantoorgebouw. Later werden er sportvelden, tennisbanen en een heus zwembad aan toegevoegd.

Met het vallen van de Berlijnse muur in 1988 werd het einde van de Koude Oorlog ingeluid. Een direct gevolg was dat er in de jaren ‘90 sterk werd bezuinigd op defensie. Uiteindelijk werd besloten om de 4e divisie en ook haar WGF-kazerne in 1994 te sluiten. Vele militairen en burgers verloren toen hun baan.

Jan van Nassau kazerne

Bijna 100 jaar geleden werd begonnen met de bouw van een nieuwe kazerne. Aanleiding was de vestiging van een Nederlands garnizoen in Harderwijk. De gemeente had hierop aangedrongen omdat het Koloniaal werfdepot was opgeheven. In december 1910 werd het eerste gedeelte van de nieuwe infanteriekazerne (over het spoor”) aanbesteed. In april 1913 werd het complex officieel in gebruik genomen. De kazerne werd vanaf het eerste moment in de volksmond Nieuwe Kazerne genoemd. Pas op 1 september 1934 werd officieel de naam Jan van Nassau Kazerne aan het complex aan de Oranjelaan gegeven door de toenmalige minister van Defensie, Deckers. De kazerne, toegankelijk door een poort, vanwaar men het hoofdgebouw, waarin de wacht met arrestkamers, de geneeskundige dienst, de verschillende bureaus en schoollokalen gevestigd zijn, voor zich ziet liggen, aldus D.J. Wuestman in zijn “Wandelingen door Harderwijk”.

Aan beide zijden van het hoofdgebouw werden logiesgebouwen geplaatst, die ieder aan 200 militairen plaats bood. Oorspronkelijk werd in gebouw A en B ieder een vredesbataljon van het 9e regiment gevestigd. Later, bij de uitbreiding tot vierentwintig regimenten, werd in de Nieuwe Kazerne het 1e en 2e bataljon van het 20e regiment ondergebracht en in de Oude Kazerne het 3e. Ten zuiden van de genoemde gebouwen bevond zich de badinrichting. Ten noorden van de logiesgebouwen bevonden zich de keuken en de kantine, terwijl daarnaast, met de genoemde gebouwen een carré vormend, het gymnastieklokaal en de wapenkamer stonden. In de mobilisatietijd 1914-1918, toen het garnizoen aan de landsgrenzen gelegerd was en de Belgen in Harderwijk geïnterneerd werden, deed de Nieuwe kazerne dienst als bewaarplaats van de Belgische soldaten. Na de Tweede Wereldoorlog is de Jan van Nassau Kazerne de bakermat geweest van de Infanterieopleidingen. In 1948 werd de Infanterieschool opgericht. In 1970 kwam het Opleidingscentrum Infanterie (OCI) tot stand. In de jaren tachtig heeft het complex nog een ingrijpende en miljoenen guldens kostende verbouwing ondergaan, waarbij een grotere en modernere keuken werd gebouwd. In 1996 werd de kazerne voorgoed gesloten Hierna werden gebouwen gesloopt, alleen de voorste drie bleven staan en werden verbouwd tot appartementen. De herinnering aan de kazerne blijft echter in de naam van deze appartementen voortbestaan, nl het Jan van Nassaupark.

Kamp Kranenburg Noord en Zuid

De gemeente stelt aan de staat een aantal terreinen ter beschikking waar Kranenburg op zal verijzen 10,5 ha in eigendom, dit ligt ten noorden van de Grintweg naar Leuvenum, dit betreft het latere Kranenburg Noord. Ook staat de gemeente een terrein, groot 8 ha ten zuiden van genoemde weg, het latere Kranenburg Zuid, af. De naam Kranenburg is afkomstig van de naam van een boerderij, die was gelegen aan de Grintweg naar Leuvenum. In 1916 staan er barakken, keukens, wachtverblijven, kantines, wasloodsen en privaten. Het complex herbergt door de tijden heen zowel personeel als materieel.Van mei 1916 tot januari 1919 maakt het depot van de VIe Infanteriebrigade gebruik van Kranenburg. Na het vertrek van de geïnterneerden uit het Belgenkamp brengt men een aantal houten barakken uit dit kamp over naar Kranenburg.

Eind februari 1919 komen twee afdelingen Veldartillerie in het complex. In 1937 word het complex bevolkt door 20 RI en 7 RI (Regiment Infanterie). Zij blijven tot de mobilisatie. In de 2e WO nemen de Duitsers het complex in bezit. Na de oorlog zijn er opleidingseenheden van de Aan- en Afvoer Troepen er gelegerd, voor uitzending naar Indië. Ook de Brigade Marechaussee vestigt zich daar. Van 1948 tot 1996 zij de Infanterieschool en het Opleidingscentrum Infanterie de voornaamste gebruikers. In de periode van 1950 tot heden ondergaat het complex nog verschillende veranderingen. In 1950 vindt de opening van de officiersmess plaats.

In 1964 wordt het officiershotel door de kolonel J. van Goolen geopend. In zijn toespraak zegt hij dat hij hoopt dat de “verstening” in hoog tempo zal gaan. Bijna lukt dit, bij de opheffing in 1996 van het OCI, zijn alleen op Kranenburg Zuid nog enige houten barakken. Op 29 maart 1971 wordt op Kranenburg Noord het onderoffiershotel geopend, met legeringkamers, een eetzaal, een kantine, ontspanningsruimtes en studiezalen. Op Kranenburg Zuid wordt in 1982 de bouw gestart van een onderdeelswerkplaats met magazijnen en ruimten voor wapenopslag. In 1988 wordt op Kranenburg Noord het nieuwe lesgebouw/ instructeurflat in gebruik genomen.

In 1991 komt er een nieuw stafgebouw op Kranenburg Noord. In 1991 in de Defensienota wordt aangekondigd dat Kranenburg Zuid binnen enkele jaren gesloten zal worden. Dit geschiedt, het complex Kranenburg Zuid wordt afgestoten en de gebouwen worden in 1996 afgebroken om plaats te maken voor woningen. Kranenburg Noord blijft nog beschikbaar voor militaire activiteiten tot 2006. Dan wordt in 2007 ook Kranenburg Noord gesloten door defensie. Aanvankelijk leek het er op dat ook Kranenburg Noord zou veranderen in een woonwijk. Dit plan vindt geen doorgang. In 2012 wordt er in enkele gebouwen een veiligheidsacademie gevestigd, onderdeel van de mbo Landstede. In 2015 komt de voormalige officiersmess en het hek op de gemeentelijke monumentenlijst. De gemeente Harderwijk is vervolgens met het Rijksvastgoedbedrijf in onderhandeling over het behoud van dit monumentale pand. Het wordt voorlopig onderverhuurd aan de Stichting Underground.

Oranje Nassau kazerne

In september 1909 trokken infanteristen in de kazerne. Daarmee werd Harderwijk garnizoensstad. Inmiddels was de naam Oranje Nassaukazerne ingeburgerd. Na de tweede wereldoorlog maakte de kazerne naam als spionnenschool, de populaire naam voor de SMID. Talrijke dienstplichtigen leerden hier Russisch. In 1988 verlieten de laatste militairen de kazerne. In de “militaire tijd” is het gebouw enkele keren vergroot en aangepast; het lijkt daarom absoluut niet meer op het klooster van de Grauwe Zusteren.

Klooster Claerendal

Al in 1476 werd vermeld dat de priester Gherman Wouterszoon land en renten schenkt t.b.v. de armen en zieken. De Fraters (Broerders des Gemenen Levens) zorgden voor de verdeling. In 1485 droeg hij het beheer over aan het convent van Sint Clara, dat bekend stond als Clarendale. Het Convent stond naast de toren van de Onze Lieve Vrouwe Kerk. De zusters leefden volgens de regels van Sint Franciscus. De kleding van deze nonnen was: Grijze pij omgord met wit koord, kap en eventueel sluier. De grijze kleur was de oudste dracht. Zij werden daarom ook wel de Grauwe Zusters genoemd. In 1580, na de Reformatie, stonden de zusters hun klooster en goederen aan de stad af, in ruil daarvoor kregen ze levenslang onderhoud en huisvesting. De zusters bleven in een deel van hun klooster wonen.

Hierna werd hier de Gelderse Munt gevestigd

In 1582 verplaatste Graaf Willem van den Bergh zijn munt van Dieren naar Harderwijk. De stad verhuurde het klooster aan Muntmeester Jan van Schevichagen. Toen in 1584 de Staten van Gelderland de Provinciale Munt van Nijmegen naar Harderwijk overbrachten, moest hij plaats maken voor hun muntmeester Jacob Dircksz. Alewijn. In 1806 bepaalde koning Lodewijk Napoleon bij Koninklijk Besluit dat de Munt werd opgeheven. Een halfjaar later werden de gebouwen voor de universiteit bestemd. Of en waarvoor de Academie ze heeft gebruikt is niet bekend.

Toen werd hier het Koloniale Werfdepot

Na de Franse overheersing kwamen de gebouwen in gebruik bij het Depot-Bataljon der Koloniale Troepen, later het Koloniale Werfdepot genoemd. In 1814 arriveerden de eersten kolonialen. In Harderwijk werden zij voorbereidt op hun dienst in Nederlands-Indië. In 1907 besloot de regering het Harderwijker Werfdepot naar Nijmegen over te plaatsen. Het laatste detachement koloniale militairen verliet in april 1909 de stad. Toen werd het een kazerne voor reguliere troepen. Nadat de laatste troepen vertrokken waren kwam het leeg te staan, na veel touwgetrek heen en weer, werd van het gebouw een appartementencomplex gemaakt. Het kreeg de naam “De Geldersche Munt”.

Het Dolfinarium

Al bijna 50 jaar is het de grote publiekstrekker in Harderwijk en bijna iedereen kent het Dolfinarium. Er wordt wel gezegd dat je er drie keer in je leven heen gaat; de eerste keer als kind, de tweede keer met je eigen kinderen en de derde keer met je kleinkinderen. Als je in Harderwijk woont, ga je er natuurlijk vaker heen. Hoe is dat Dolfinarium eigenlijk ooit begonnen? Eibert den Herder, een bekende Harderwijker zette zich rond 1920 in voor een degelijke vaargeul naar Harderwijk. Hij vond dat ook grotere schepen naar Harderwijk moesten kunnen komen, en toen die vaargeul in 1925 gereed was begon hij met een lijndienst voor passagiersschepen. Deze lijndienst werd een groot succes en duizenden dagjesmensen kwamen met de boot naar Harderwijk. Om deze recreanten enig vertier te bieden liet Den Herder een stukje strand opspuiten waarop hij een theehuis liet bouwen. Dat was het prille begin van het toerisme in Harderwijk.

Na de Tweede Wereldoorlog namen de zoons van Eibert, Frits en Coen den Herder de zaken over en begonnen met de Verenigde Toeristen Bedrijven. In eerste instantie gingen ze met rondvaartboten toeristen rondvaren langs de gestarte Zuiderzeewerken. Het strandje werd uitgebreid met een camping en een aantal speeltoestellen. Om de toeristen en dagjesmensen in Harderwijk te houden bedachten de broers steeds nieuwe attracties en de speeltuin kreeg steeds grotere speeltoestellen. Vissers hadden in die tijd als nog wel eens een zeehond in hun netten en die kregen een klein bassin op dat strandje. Ome ‘Piet Graffijland’ voerde ze en maakte daar altijd een mooie show van, die veel belangstelling trok. Het zeehondenbassin werd uitgebreid met Californische zeeleeuwen en werd het Robarium genoemd.

Frits den Herder ging zich steeds meer interesseren voor zeezoogdieren en in 1965 haalde hij de eerst vier dolfijnen naar Harderwijk, en zo begon het eerste Dolfinarium in Europa en dat werd mede door de televisieserie Flipper een enorm succes. Zo’n succes dat er al in 1969 een nieuw gebouw met 2.500 plaatsen werd neergezet, de bekende blauwe koepel. Er werd gesleuteld aan de shows en er kwamen steeds nieuwe dieren bij, zeeleeuwen, walrussen en zelfs een Orca, met de naam Gudrun.

Het Dolfinarium werd dé trekpleister van Harderwijk en trok wel zo’n 800.000 bezoekers per jaar. Door slechte bedrijfsvoering ging het Dolfinarium in 1982 failliet maar kon wel een doorstart maken. Uiteindelijk gingen het Veluwestrand en Dolfinarium samen in een bedrijf en kwamen in Franse handen.
Er kwamen veel vernieuwingen en in 1997 werd een mooie lagune geopend. Het zeezoogdierenpark is nog steeds een trekpleister van formaat en zorgt ervoor dat er elk jaar honderdduizenden toeristen naar Harderwijk komen. Bezoekers vinden het allemaal prachtig en genieten van de Dolfijnen en de andere dieren. Het Dolfinarium bestede altijd veel aandacht aan educatie en werd een steunpunt voor zeedieren in nood, SOS Dolfijn. In 2015 bestaat het Dolfinarium 50 jaar.

De geschiedenis van het M.S. Uddelermeer

Ook een schip kan een boeiende geschiedenis hebben. Dat geldt zeker voor de Uddelermeer een klein motorschip dat in het verleden haar thuishaven in Harderwijk had. Het schip werd in 1927 aangekocht door de directie van de Holland Veluwe Lijn als tweede schip voor de lijndienst Amsterdam – Harderwijk, die een enorm succes was. Naast de raderboot Stad Harderwijk was  er behoefte aan een tweede schip en dat werd de ‘stijlsteven’ Uddelermeer.

De naam van het schip was afgeleid van een der aandeelhouders, die in de buurt van het Uddelermeer woonde en het was een schip met vele kwaliteiten. Naast een ‘luxe’ salon’ beschikte het schip over een buitendek en een vrachtruim, zodat het schip naast passagiers de nodige lading kon vervoeren. Naast voortstuwing door de dieselmotor kon de Uddelermeer een zeil voeren, handig om brandstof te besparen en tevens behulpzaam om de snelheid van het schip te vergroten. Het schip ging, samen met de Stad Harderwijk, varen op de lijndienst Amsterdam – Harderwijk.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Uddelermeer door de Duitse bezetters gevorderd en bewapend om konvooien te begeleiden over de binnenwateren. Het werd in de kleuren van de Kriegsmarine geschilderd, bepantserd en voorzien van boordgeschut. De Uddelermeer, gebouwd als vriendelijk passagiersschip was ineens een oorlogsbodem geworden. Uiteraard was dat niet zonder risico’s want Engelse jachtvliegers maakten graag jacht op de Duitse schepen. Het is dan ook ‘meer geluk dan wijsheid’ dat de Uddelermeer ongeschonden de oorlog doorkwam.

Na de oorlog eiste Eibert den Herder, de Harderwijker reder zijn schip weer op en verbouwde het opnieuw tot passagiersschip. Om de vervelende periode in de oorlog te vergeten werd de naam verandert in MS Ermelo. De Ermelo maakte jarenlang deel uit van de vloot van de Holland Veluwe Lijn en maakte duizenden rondvaarten over het IJsselmeer, langs de Zuiderzeewerken en de aanleg van de nieuwe polders. Duizenden bezoekers wilden wel eens zien hoe de Hollanders land maakten uit de zee en scheepten zich in op de Ermelo, waarvan de naam later nogmaals veranderde in m.s. Veluwe. Toen de Holland Veluwe Lijn over ging in de Verenigde Toeristen Bedrijven en in Rederij Flevo ging de Veluwe mee als vast onderdeel van de vloot.

Begin 2005 werd de Veluwe verkocht aan rederij Halfland in Rotterdam en nu maakt het schip onder de naam MS Zuiderzee rondvaarten in de haven van Rotterdam. Het is inmiddels een oudje, maar wel een met karakter en het schip misstaat dan ook niet tussen de havenreuzen in Rotterdam. Integendeel, trots kiest het zijn koers en laat de passagiers genieten van de drukte in deze prachtige havenstad. De Zuiderzee kan nog jaren mee.

De Kasteel Staverden

Ze kwam (in 1931) nog net op tijd naar Harderwijk om het 700-jarige bestaan van de stad mee te vieren, en dan natuurlijk als ‘vlaggenschip’, voor minder deed ze het niet. We hebben het over de Kasteel Staverden, het 3de en mooiste schip van de Holland Veluwe Lijn en de trots van reder/eigenaar Eibert den Herder. Ze was ook net op tijd om de Zuiderzee nog te bevaren, want één jaar later, in 1932, werd die trotse binnenzee afgesloten door de Afsluitdijk en veranderde voorgoed in het IJsselmeer, een meer steeds meer beperkt en ingeklemd door dijken en polders.

De Kasteel Staverden was het modernste passagiersschip van haar tijd en het kende een voor haar tijd ongekende luxe waaronder een paar enorme dieselmotoren, fraaie binnensalons, een elektrische installatie en een geluidsversterker. Onderin het schip was een groot vrachtruim waarin behalve vracht ook fietsen vervoerd konden worden, want dat werd haar belangrijkste vracht. De Kasteel Staverden ging op de lijndienst van Harderwijk naar Amsterdam varen.

De passagiers bestonden uit dagjesmensen en toeristen die een bezoek aan de Veluwe brachten. Ze omzeilden de lange fietstocht door met de fiets aan boord van de Kasteel Staverden in te schepen. In Harderwijk werden ze met fiets en al aan wal gezet en konden hun tocht vervolgen. Met de Kasteel Staverden beschikte de Holland Veluwe Lijn over drie passagiersschepen en was ze op het hoogtepunt van haar bestaan. Duizenden scheepten zich in en genoten van de tocht over het IJsselmeer. Door toenemende concurrentie viel er op termijn nog maar weinig te verdienen aan de lijndienst. Er kwamen steeds meer rederijen en schepen bij en de tarieven kelderden dramatisch.

De Holland Veluwe Lijn werd in die concurrentiestrijd overgenomen door een Rotterdamse reder en ging bijna failliet. Een geldinjectie door Harderwijker notabelen kon dat nog maar net voorkomen.

De Tweede Wereldoorlog luidde voor het schip en haar bemanning een roerige tijd in. De Duitse bezetter wilde het schip vorderen als hospitaalschip en voor de Engelse bommenwerpers was het een mooie schietschijf. In de haven van Harderwijk werd het schip met bommen bestookt waarbij verschillende mensen om het leven kwamen en bij Huizen werd het schip door jagers beschoten. ‘’s Avonds voeren we met een sloep naar het schip om de kogelgaten met houtproppen dicht te stoppen’, vertelde de toenmalige kapitein Miedema.

Na de oorlog werd de Kasteel Staverden ingrijpend verbouwd en een flink aantal meters verlengd, er konden wel 1.500 passagiers aan boord. Het schip ging met toeristen langs de Zuiderzeewerken varen, want iedereen wilde wel eens zien hoe de Hollanders land uit water maakten. Een andere bestemming vond de Kasteel Staverden toen ze door het Nederlandse Rode Kruis werd gehuurd om als hospitaalschip met zieken te varen, dat deed ze een tiental jaren lang. Door strengere eisen van de scheepvaartinspectie verloor het schip daar haar vergunning voor en ging toen varen als rondvaartboot vanuit Harderwijk langs de polders en Zeewolde.

Eind jaren negentig werd het schip uit de vaart gehaald en lag het een aantal jaren in de Industriehaven. In 2004, na een strenge vorstperiode knapten een aantal buizen en zonk het schip aan de kade. Het werd als oud ijzer verkocht en omgesmolten voor een andere bestemming. Jarenlang maakte de Kasteel Staverden, genoemd naar de woonplaats van de belangrijkste aandeelhouder, prominent deel uit van het havengezicht van Harderwijk.

Tussen 1648 en 1811 had Harderwijk een universiteit. Restanten daarvan zijn nog zichtbaar in de Academiestraat, het Linnaeustorentje, de Catharinakapel, de Snijckamer en De Hortus. De Hortus Botanicus was beroemd; de kruidentuin met de Ginkgo biloba bestaat nog steeds en is te bezoeken.

Sinds 1600 was het gymnasium gevestigd in de kapel van het Sint Catharinaklooster. In 1648 kreeg Harderwijk de toezegging de bovenbouw van dit gymnasium om te mogen vormen tot universiteit. Dit als compensatie voor de economische teloorgang van de stad in de 16e en 17e eeuw. De stad kreeg ten behoeven van de universiteit van het Gelderse gewest ongeveer 8.000 gulden per jaar. Die steun bleef vaak uit, waardoor de universiteit een van de armste van het land werd. Studenten konden er de vakken theologie, rechten, geneeskunde, filosofie, geschiedenis en welsprekendheid volgen, en promoveren tot doctor. Promoveren in Harderwijk was snel en goedkoop. Colleges volgen of onderzoek doen en een proefschrift schrijven hoefde niet per se in Harderwijk. Studenten kwamen van ver, lieten hun proefschrift drukken, deden een Latijns examen en kregen bij succes hun titel. Dat maakte Harderwijk aantrekkelijk voor minder vermogende studenten.

Beroemde namen

Onder de afgestudeerden waren Carolus Linnaeus, Herman Boerhaave, Herman Willem Daendels en Constantijn Huygens. Hun aanwezigheid gaf de stad in de 18e eeuw status en bracht bedrijvigheid voor herbergen en drukkerijen.

Einde en reputatie

Aan het eind van de 18e eeuw liep het studentenaantal terug. In 1811 hief Lodewijk Napoleon de universiteit op.  Hij was van mening dat Nederland te klein was voor haar vele universiteiten. Koning Willem I probeerde in 1815 de universiteit nieuwe leven in te blazen door haar om te dopen tot een rijksatheneum. In 1818 sloot het instituut definitief haar poorten. Wat bleef was een spottend rijmpje over ‘gekochte’ promoties. ‘Harderwijk is een stad van negotie. Men verkoopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie’. Hiermee werd verondersteld dat je een titel kon kopen, maar bewezen is deze stelling nooit.

Op 31 juli 1503 brandde Harderwijk tot op de grond toe af. Van Harderwijk bleef niets veel over dan een rokende en smeulende puinhoop.

Het verhaal van de vernietiging van Harderwijk vormt geen uitgebreid item in de geschiedenisboekjes. Enerzijds komt dit omdat er weinig documentatie over is, anderzijds ook omdat dergelijke rampen veel vaker voorkwamen. Pater Jan de Waal, afkomstig uit het St. Agnesklooster in Amersfoort, was toevallig op bezoek in Harderwijk en heeft verslag gedaan van de brand. Zijn beschrijving is in het klooster teruggevonden. De huizen in de steden waren veelal van hout en de daken van riet, een goedkope en voor de hand liggende dakbedekking. Het koken vond plaats op open vuren en ook bij ambachtelijke werkzaamheden als ‘bakken’, ‘smeden’ en ‘brouwen’ werd open vuur gebruikt. Even niet opletten kon een brandje veroorzaken en als de omstandigheden ongunstig waren, bij langdurige droogte of veel wind bijvoorbeeld, kon het vuur snel aanwakkeren tot een enorme omvang. Het blussen gebeurde met tonnen water dat uit nabijgelegen meren of plassen gehaald moest worden. Een klein brandje kon daardoor snel uitlopen tot een enorme catastrofe van ongekende omvang. Zo moet het ook in 1503 in Harderwijk gegaan zijn.

De brand was enorm en verwoestend

Er zouden slechts 7 tot 40 huizen gespaard zijn gebleven en het aantal omgekomen slachtoffers varieerde van 1.000 tot 1.500, waaronder 300 leerlingen van de Gelderse School. Op een bevolking van 3.000 inwoners was dat een enorm aantal waarbij nog niet eens de gewonden zijn meegerekend. We kunnen aannemen dat de gewonden in de kloosters in de omgeving zijn opgenomen en dat velen van hen onder verschrikkelijke omstandigheden zijn gestorven. De schippers die Harderwijk aandeden, zullen verschrikt zijn geweest van het beeld dat men aantrof en het verhaal in de havens hebben verteld. Er kwam hulp op gang. Kampen had geld ingezameld voor een kruistocht tegen de Turken maar dat mocht worden geschonken voor de wederopbouw van de Harderwijk. Arnhemmers kwamen, onder leiding van hun burgemeester, de ergste puinhopen opruimen en Harderwijk mocht als privilege een eigen munt gaan slaan. Met het opruimen van de puinhopen zal men maanden, zo niet jaren, bezig zijn geweest. En dan breekt omstreeks 1512 de pest uit en heerste er opnieuw grote sterfte in de stad.

 

Handelsstad

In de drie eeuwen na het verwerven van stadsrechten wordt Harderwijk steeds meer een handelsstad. De stad lag aan gunstige handelsroutes over land en over water. Men handelde in graan, hout, bier en vis. Op het stadszegel verschijnt vanaf die tijd een koggeschip, een zeewaardig vaartuig met een groot drijfvermogen dat veel lading kon vervoeren.

Duitse Hanze

Rond 1280 worden Harderwijkse handelaren lid van de Duitse Hanze. De Noord-Duitse Hanze was een verbond van middeleeuwse steden, ontstaan uit de samenwerking van kooplieden die zich gezamenlijk gingen verdedigen tegen belagers zoals piraten en struikrovers. Ook kon door gezamenlijk te reizen en te handelen de gemeenschappelijke belangen beter worden verdedigen. Het hoofddoel was een handelsmonopolie te verkrijgen in het Oostzeegebied. Oorspronkelijk waren vooral Duitse steden rond de Oostzee lid van de Hanze. Zo’n 22 Nederlandse steden deden ook mee, waaronder Stavoren, Groningen, Kampen, Zwolle, Elburg, Deventer en dus ook Harderwijk. De Hanze hield regelmatig vergaderingen om hun problemen te bespreken. Harderwijk bezocht trouw deze bijeenkomsten.

Op de vergadering te Lübeck in 1358 eiste Thyde Zubon, koopman uit Harderwijk, schadevergoeding van de Vlamingen, die zijn Kogge naar Antwerpen hadden vervoerd en haar 35 weken hadden vastgehouden. Zubon voegde bij zijn eis de kloeke bedreiging, dat als hij geen vergoeding kreeg hij een Antwerpse Kogge zou kapen. Het zou vijf jaar duren voordat de vergoeding uitbetaald werd.

Vitte

In 1316 verkreeg Harderwijk van Erik, koning der Denen een vitte op de markt van Skanör. Een vitte is een soort factorij, waar de Harderwijker kooplieden konden handeldrijven en overwinteren. Harderwijk was daar niet de enige plaats die een vitte had. Kampen, Stavoren en Zierikzee hadden hier ook een plaats op de markt van Skanor. Aan deze glorie tijd kwam een einde in laatste helft van de 15e eeuw. Harderwijk kreeg te lijden van de concurrentie van de Zuiderzeesteden. De oorlogen van de hertogen van Gelre werkten nadelig en ten slotte de stadsbrand van 1503 gaf de genadeslag.

Kasteel De Essenburgh is een kasteel en landgoed in de gemeente Harderwijk, gelegen tussen de dorpen Hierden en Hulshorst. Tot 1929 is de naam Essenburg (zonder h) gebruikt.

De gevelsteen maakt melding van het jaar 1652. Diverse publicaties maken echter melding van een middeleeuwse voorganger, hoewel er na archeologisch onderzoek geen enkel spoor van een vroegere bebouwing werd gevonden. De bouwer is wel bekend, Johan Coolwagen. Deze liet het bouwen als statussymbool om zich een plaats binnen de Ridderschap van Veluwe te verwerven. Dit mislukte en Johan Coolwagen moest uiteindelijk het huis aan zijn schuldeisers verkopen.

Familie Van Westervelt

In 1721 kwam het kasteel door huwelijk in het geslacht Van Westervelt. Tot 1817 zou het in dit geslacht blijven toen het overging naar mr. Samuel Johannes baron Sandberg, heer van Essenburg (1778-1854), in 1803 getrouwd met Aleyda Johanna van Westervelt (1785-1862), dochter van Anthony Pieter van Westervelt, heer van Leuvenum (1750-1823). Zijn laatste huis ging ook over naar het geslacht Sandberg. Enkele telgen Sandberg kregen naamswijziging tot Van Westervelt Sandberg. Door financiële moeilijkheden zag de laatste eigenaar uit het Sandberg-geslacht, burgemeester jhr. Heribert WilIem Aleid Sandberg, heer van Essenburg (1867-1945), zich genoodzaakt vanaf 1924 tot 1927 het gehele landgoed in meer dan 150 percelen, alsmede de boerderijen, huizen, en tot slot ook het kasteel te verkopen. Hij liet tevens notarieel vastleggen dat de naam nooit meer “Essenburg” mocht zijn, dat de naam Sandberg op de orangerie moest verdwijnen, liet -naar het schijnt- het familiearchief verbranden, om vervolgens kinderloos in Den Haag te overlijden. Daarmee kwam na ruim twee eeuwen een eind aan de bewoning door de geslachten Van Westervelt en Sandberg.

Renovatie

In 1929 werd het verwaarloosde kasteel, na in handen te zijn geweest van speculanten, aangekocht door kunsthistorica dr. Johanna Suzanna de Jongh (1877-1946), weduwe van Adriaan Goekoop (1859-1914). Zij is o.a. bezitster van het landgoed Zorgvliet en het Catshuis. Zij liet het kasteel grondig renoveren, waardoor de raampartijen aan de voorzijde en de entree niet meer oorspronkelijk zijn, en bracht de gevelsteen aan met de tekst: “Renovata anno 1929”. Ze legt een park aan met monumentale bruggen, pergola’s, rozentuinen, een prachtige tuinmuur met Griekse vazen en her en der in de gazons Griekse klassieke beelden. Zij gaf het, ingevolge de eis van de laatste Sandberg-eigenaar, de nieuwe naam “Essenburgh”. In 1935 verliet zij het kasteel en ging in Ginneken wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het huis bezet door, achtereenvolgend, het Duitse leger, bejaarden uit de Zaanstreek, vluchtelingen uit Arnhem, repatrianten uit Duitsland en gedetineerden uit de Jodensavanne uit Suriname. Daarna staat het leeg en te koop tot 1950.

Norbertijnen priorij De Essenburgh

In 1944 verkoopt mevrouw De Jongh het gebouw aan Bernard Carp (1901-1966) die het in 1950 verkocht aan de Norbertijnen van de Abdij van Berne uit Heeswijk-Dinther (Noord-Brabant). Het kloostergebouw wordt in gebruik genomen als priorij. Vanaf 1969 beginnen de Norbertijnen met een vormingscentrum in het kasteel. In 1992 is een tweede klooster op het terrein gevestigd genaamd Communiteit Mariengaard, een gemeenschap voor vrouwelijke Norbertijnen. Tot de gemeentelijke herindeling in 1972 hoort de Essenburgh bij het dorp Hulshorst in de gemeente Nunspeet. Sindsdien ligt de Essenburgh in Hierden en maakt het onderdeel uit van de gemeente Harderwijk.

Het landgoed is toegankelijk; het huis (tegenwoordig in gebruik als hotel) en nabije omgeving zijn niet vrij toegankelijk.